Verhalen lezen

De Papendrechtse moordzaak, 1910 - deel 1

Ingezonden door: Anoniem.


Het was geen moordzaak, het gezag stond op het spel door het wangedrag van de politie en de starheid van de regenten. Er zijn ontelbare stukken en verslagen geschreven in de landelijke pers over de gerechtelijke procedures en dwalingen. Er is zelfs een verhalenbundel uitgebracht door Fred van Os, onder de titel: Onder aan 't Veer, deze bundel is te koop bij bol.com.


Maar wat is er nu precies gebeurd?


De Papendrechtse jeugd ging in het weekend stappen in de kroegen op de Blijenhoek en de Rietdijk in Dordrecht, en goten zich vol. Om 10 uur ging de laatste pont, waar al de nodige herrie gemaakt werd. Na de ontscheping op het Veerplein was het met die dronken koppen natuurlijk vechten. Dit herhaalde zich wekelijks, tot ergernis van de notabelen en kerkelijke autoriteiten, die hun beklag deden bij burgermeester Bonten.


Burgermeester Bonten zag zich gedwongen om veldwachters de orde te laten handhaven op het Veerplein. Maar de beide veldwachters hadden geen schijn van kans tegen de groep dronken jongens, en werden in het Balkengat gegooid. De week daarop stonden er 6 veldwachters, die ook weer het onderspit moesten delven. De burgemeester heeft vervolgens de week daarop de opdracht gegevens om de ergste raddraaiers, na weer een avondje stappen, van hun bed te lichten.


Vervolgens werd er op zondagavond een ruit ingeslagen op het gemeentehuis, waarvan een zekere H. Garsthagen werd verdacht. De ruit was ingeslagen op zondagavond 8 september. Daar genoemde inwoner van Papendrecht volgens de meening van de politie de schuldige moest zijn werd zondagavond en maandagmorgen overal naar hem gezocht.


Den 9de september meldde Garsthagen zichzelven aan. Hij had zich schuil gehouden omdat hij volgens zijne verklaring in het stuk in de Dordtsche courant, absoluut geen lust had om stevig geboeid ten aanschouwe van de bevolking opgebracht te worden, wat den heer Garsthagen na zijn aanmelding gebeurde, wordt in het stuk aldus beschreven.


De ontvangst ten gemeentehuize was in een woord beestachtig. Bijna onmiddellijk na zijn binnentreden kreeg hij van den gemeenteveldwachter, genaamd De Meij, een geduchten stomp op zijn neus. Het bloed stroomde uit de toegebrachte wonde op den vloer. Veldwachter De Meij kwam met een handdoek opdagen en dreef de brutaliteit zoo ver, dat hij nota bene aan Garsthagen zelf gelastte om al het bloed van den vloer op te nemen. De groote handdoek was evenwel in lang niet voldoende om de hoeveelheid te verzwelgen, een tweede handdoek moest er aan te pas komen. Waarmede de veldwachter toen zelf de sporen van zijn misdrijf trachtte te verwijderen, blijkbaar vond hij zijn bevel, bij nader inzien, wel wat al te onbeschaamd.


‘s Avonds van dien dag perste het bloed weder onder de aangebrachte pleister uit. Zowel burgemeester Bonten die bij de mishandeling tegenwoordig was, als gemeenteveldwachter De Meij en rijksveldwachter Van den Berg, verklaarden vlak in zijn gezicht dat zij zeker wisten dat Garsthagen de bewuste glasruit had vernield. Ze hielden zulks zoo hevig vol dat Garsthagen ten slotte en ten einde raad maar uitriep 'sla me maar dood'. De rijksveldwachter Van den Berg heeft zelf den treurigen moed gehad om Garsthagen nadat hij reeds zoo hevig bloedend verwond was nog een paar extra stompen in het aangezicht toe te brengen.

20 views0 comments